Deze kloosterkaart van Groningen geeft op schematische wijze de spreiding van de belangrijkste kloosters en hun voorwerken in de periode 1200-1600.

 

 

Deze kloosterkaart van Groningen geeft op schematische wijze de spreiding van de belangrijkste kloosters en hun voorwerken in de periode 1200-1600. Er zijn in die periode meer kloosters geweest, maar dit overzicht is beperkt tot de kloosters die een grote activiteit aan de dag hebben gelegd bij het in cultuur brengen van de grond in dit deel van Nederland. Met name de orde van de Cisterciënzers en de orde van de Norbertijnen zijn in die periode actief geweest. Ze bezitten meer grond dan welk ander klooster en zijn bovendien betrokken geweest bij allerlei inspanningen op het gebied van de waterbeheersing. De abten van de kloosters van Aduard en Wittewierum zijn eerstverantwoordelijk voor respectievelijk het Aduarderzijlvest en het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen.

 

De gegevens voor deze kaart zijn voornamelijk ontleend aan het werk van Schoengen (1941-42), terwijl gegevens over het grondbezit ontleend zijn aan Feith (1902). Deze gegevens zijn verder aangevuld met data uit de Nieuwe Groninger Encyclopedie (1999). Het meest complete overzicht van het kloosterbezit is gepubliceerd door Siemens (1962). Vergelijking met de Atlassen van Stadslanden en Provincielanden uit de 18e eeuw laten echter zien dat Siemens niet altijd zorgvuldig te werk is gegaan en dat diens gegevens soms niet volledig zijn. Het overzicht van Bruins (2006) moet met voorzichtigheid gehanteerd worden. Dit betekent in feite dat het bovenstaande overzicht bij lange niet niet compleet en of betrouwbaar is en dat men name de 'lijnen' naar de verschillende kloosters nader onderzoek vereisen.

 

 

Hauptaltar des Domes von Ascoli, Polyptychon, Predella, linke äußere Tafel: Hl. Bartolomäus. Schilderij van Carlo Crivelli uit 1473 in opdraht van bisschop Prospero Caffarelli. Bron: The Yorck Project: 10.000 Meisterwerke der Malerei. DVD-ROM, 2002. ISBN 3936122202. Distributed by DIRECTMEDIA Publishing GmbH.
Hauptaltar des Domes von Ascoli, Polyptychon, Predella, linke äußere Tafel: Hl. Bartolomäus. Schilderij van Carlo Crivelli uit 1473 in opdraht van bisschop Prospero Caffarelli. Bron: The Yorck Project: 10.000 Meisterwerke der Malerei. DVD-ROM, 2002. ISBN 3936122202. Distributed by DIRECTMEDIA Publishing GmbH.

De volgende voorwerken staan op de kaart vermeld:

 

Aduarder- of Oude Voorwerk. Dit voorwerk heeft met het Fransumer voorwerk ten noordoosten van Aduard gelegen.


Fransumer of Nieuwe Voorwerk. Met een kapel.

 

Roodeschool. Gelegen ten noordoosten van Bedum. Het is oorspronkelijk een kloosterschool geweest, maar wordt later omgezet tot boerderij.

 

Washuis (niet zeker). Dit is gelegen even ten zuiden van Nieuwklap en het heeft vermoedelijk gediend ter controle van de daar gelegen sluis in het Aduarderdiep.

 

Langeweer. Dit voorwerk heeft bij te Den Horn gelegen. Hier zijn enkele tichelwerken geweest. Tussen 1329 en 1350 wordt hier een kapel gesticht.


Lagemeeden: met een tichelwerk. Hier is tussen 1329 en 1350 een kapel gesticht, waar de arm van Sint Margaretha wordt vereerd.

 

Wolfsbarge, met een kapel, die doop- en begrafenisrechten heeft gekregen.

 

Everswolde. Vanuit deze Everswolde en Wolfsbarge organiseert het klooster Aduard de veenontginning in de omgeving van het Zuidlaardermeer.

 

Terheil of Ter Helle bij Roden alias Grangia Paradisius, met tichelwerk en kapel, tussen 1549 en 1561 voorzien van het lusthuis. Terheil ligt ten zuiden van Leek. Bij Terheil en Roden liggen de bossen van de abdij.

 

Schilligeham. Dit voorwerk heeft ten westen van Winsum gelegen bij de dam door de Hunze.

 

Marum (twijfelachtig). Voorwerk in het zuidwesten van de provincie Groningen. Daarnaast bezit het klooster korenmolens te Warfhuizen en Obergum.

 

Het patronaatsrecht te Stedum en vermoedelijk ook Steerwolde wordt in 1355 overgedragen aan het dochterklooster te Sint-Annen. Het klooster bezit verder patronaatsrechten te Hooge- en Lagemeeden, Den Ham en Fransum, tot 1520 tevens te Zuidhorn en Wierum. Het klooster bezit een stadshuis of refugium in de Munnekeholm te Groningen. Volgens de kloosterkroniek wordt tussen 1329 en 1350 een kapel in Holmis gesticht. De laatste abt Willem Emmen koopt in 1599 het zogenoemde 'Blauwe Huis' richt dit in tot een gasthuis: het Aduarder Gasthuis.

 

Dochterkloosters van Aduard zijn o.a. Menterwolde, Essen, Sint-Annen en Trimunt. Onder gezag van Aduard vallen ook nog kloosters die niet in Groningen zijn gelegen. Bij Aurich in Oost-Friesland ligt in die tijd het mannenklooster Ihlow of Ter Yle. Het tweede dochterklooster 'Conventus sanctae Mariae in Campis' (Mariakamp) bevindt zich in Assen. De oude 'kloostergang' bestaat nog en maakt thans onderdeel uit van het Drents Archief. Dit klooster ligt aanvankelijk in de buurt van Coevorden. Het wordt in 1259 verplaatst naar Assen en onder de rechtsmacht van Aduard geplaatst.

 

In het onderstaande overzicht is zoveel mogelijk geprobeerd alle (voornamelijk) topografische informatie over stichtingsdatum, patroonheilige, voorwerken, grondbezit en patronaatsrechten systematisch te verwerken.


 

Benedictijnen

 

 

Feldwerd
Dit klooster (ook wel Oldeklooster bij Den Dam genoemd) wordt vermoedelijk rond 1183 gesticht vanuit Utrecht door Sint Hatebrand (ovl. 1198). Het klooster is gewijd aan Maria, Petrus en Paulus. De kloostergebouwen liggen op de wierde van Feldwerd, ten noordwesten van Holwierde. De uithoven van het convent bevinden zich te Garsthuizen, Groot Lasquert (bij het Schildmeer, Oosternieland (Den Hoorn], Kolhol bij Zijldijk, Hoogwatum, Godlinze (Lippenhuizen) en Siddeburen. Ook is er een voorwerk vlakbij het klooster. Het totale bezit aan cultuurgrond bedraagt ongeveer 1260 ha. Als patroonheiligen dienen de Heilige Maagd en Petrus en Paulus. Bij het klooster bevindt zich in 1598 onder andere een korenmolen, wellicht te Katmis, waar in 1473 een molen wordt vermeldt. Verder een grote Friese schuur van elf vakken lang, een koestal van 48 vakken (goed voor bijna tweehonderd stuks vee), een molenhuis, een dobbe met een gemetseld waterreservoir en een brouwhuis met stallen voor mestvee en varkens. Het klooster heeft - volgens parochielijsten van omstreeks 1475 en 1559 - de status van een zelfstandige parochie, wellicht samenhangend met een verdwenen kapel te Katmis. In 1334 is sprake van vier priesters, die kennelijk nabijgelegen kerken en kapellen bedienen. Het klooster bezit de Nicolaaskapel te Watum en in 1505 verkrijgt het de parochiekerk van Bierum. Vermoedelijk heeft het klooster tevens collatierechten te 't Zandt en Holwierde, waar in de zestiende eeuw (oud-)kloosterlingen als pastoor fungeren. Het klooster heeft een refugium aan de Carolieweg te Groningen, genoemd in 1476. Daarnaast bezit het klooster een tweede refugium op de hoek van de Jacobijnerstraat en de Walburgstraat, dat in 1609 wordt verkocht. De kloostergebouwen worden tussen 1588 en 1594 tijdelijk verlaten en worden daarna weer in gebruik genomen. Gereformeerde predikanten uit Holwierde, later Bierum verzorgen de kerkdiensten. De kloostergemeenschap wordt pas omstreeks 1617 ontbonden.

 

Ten Boer
Het klooster van Ten Boer wordt voor het eerst genoemd in 1301. Wegens armoede wordt het tussen 1465 en 1485 geïncorporeerd bij Thesinge. De kloosterkerk wordt ingericht als parochiekerk.

 

Thesinge
Het klooster Germania, gewijd aan de Zeven Broeders, ligt bij Thesinge en is gesticht vóór 1198. De oudste vermelding in de Kroniek van Emo en Menko dateert van 1283. Het klooster bezit ongeveer 1400 ha. cultuurgrond, de voorwerken Barghuus te Kantens en Roggenvoorwerk te Garmerwolde; verder veenderijen in de omgeving van Kolham. In 1284 dragen de inwoners van Bedum de parochierechten aan het klooster over. Het collatierecht van Bedum is in de 16e eeuw omstreden. De Hoofdmannenkamer beslist in 1568 dat het klooster hierop geen aanspraak kan maken. Wel wordt de parochiekerk van Ten Boer tussen 1465 en 1485 geïncorporeerd, samen met de rest van het klooster aldaar. Thesinge komt omstreeks 1475 niet voor op een lijst van parochiekerken, zodat we mogen aannemen dat de omwonenden elders ter kerke zijn gegaan. De parochierechten van Lutjewolde of Emmerwolde bij Sint-Annen worden vermoedelijk in de 16e eeuw met die van Thesinge samengevoegd; de kapel van Lutjewolde is in 1601 afgebroken. Het klooster heeft een refugium in de Herestraat in de stad, dat in 1600 wordt verkocht. De kloostergebouwen worden tussen 1584 en 1594 tijdelijk verlaten, maar daarna weer in gebruik genomen. De laatste nonnetjes sterven kort na 1627. Gereformeerde predikanten verzorgen de kerkdiensten, maar in het geheim wordt ook de mis opgediend.

 

Rottum
Het klooster, gewijd aan Juliana van Nicomedië, wordt voor het eerst genoemd in 1226. Het klooster Rottum bezit ongeveer 1180 ha. aan cultuurgrond en daarnaast 60% van het eiland Rottumeroog (het andere deel is in handen van het Oldeklooster bij Kloosterburen). De veenderijen van het klooster liggen onder Scharmer, Kolham en Kropswolde. Het klooster heeft voorwerken te Uithuizen (Papekop) en Rottum (Langenhuis en Bethlehem). Het voormalige voorwerk Bethlehem herbergt in de vijftiende en zestiende eeuw een begijnenconvent. De kloosterkerk dient tevens als parochiekerk; daarnaast heeft het klooster het collatierecht te Eelswerd. Parochierechten te Kropswolde gaan omstreeks 1340 verloren. In 1458 (feitelijk 1474) verkrijgt het klooster de proosdij Usquert met de boerderij Kruisstee. De kloostergebouwen worden na een brand in 1586 en plundering in het jaar daarop verlaten. De monniken nemen hun intrek in het refugium aan de Oude Ebbingestraat in Groningen, dat in 1607 wordt verkocht.

 

Selwerd
De benedictijnerabdij Siloe is een dubbelklooster geweest, gewijd aan Catharina van Alexandrië, en het ligt iets ten noorden van de stad Groningen op de wierde Selwerd. Het klooster is vermoedelijk tussen 1207 en 1217 gesticht op een uithof met een kapel van het Mariaklooster te Ruinen. De eerste vermelding dateert van 1254. In 1469 treedt het toe tot de Congregatie van Bursfeld. Het klooster bezit ongeveer 1500 ha aan cultuurgrond plus delen van het Zuidlaarderveen. Als voorwerk dient het bisschoppelijke hof te Rasquert bij Baflo, dat het klooster in 1458 in leen krijgt. Daarnaast verkijgt het klooster omstreeks 1215 de parochierechten te Dorkwerd en in de vijftiende eeuw het collatierecht van de Gaykingakapel te Wierum. Selwerd heeft ook een rol in de waterstaatsorganisatie in het gebied rondom het Reitdiep. Het maakt deel uit van het Aduarder Zijlvest en het bepaalt in 1464 met de kloosters van Rottum en Thesinge de rechtsbepalingen voor het Winsumer Zijlvest. Het bezit vermoedelijk een korenmolen te Ranum. Het klooster bezit sinds het midden van de 15e eeuw een stadswoning in de Oude Ebbingestraat. In 1582 worden de kloostergebouwen verlaten, de nonnen vinden in 1585 onderdak in het Vrouw Sijwenconvent, de abt gaat in de Sint Jansstraat wonen. Daarnaast wordt een huis in de Boteringestraat aangekocht.

 

 

Cisterciënzers of Bernardijnen
Ook Grijze monniken of Schieremonniken genoemd. In tegenstelling tot de andere kloosterorden houden de cisterciënzers zich niet bezig met de zielzorg. In de parochies waar zij het collatierecht hebben, worden seculiere priesters benoemd.

 

Aduard
De cisterciënzers zijn wars van weelde en leggen de nadruk op soberheid en handenarbeid. De monniken moeten zelf aan de slag op het land en men zoekt daarom als vestigingsplaats voor een klooster nog niet ontgonnen gebieden. Vanuit het klooster Klaarkamp bij Rinsumageest wordt de wierde van Aduard uitgekozen als vestigingsplaats voor een dochterklooster dat in de loop van de tijd zal uitgroeien tot het rijkste in de Nederlanden. Het bezit wordt onder andere verkregen door schenkingen. Wanneer men intreedt moet men goederen of geld inbrengen en zeker in de beginjaren van het klooster wordt zodoende land ingebracht.

 

Het klooster van Aduard (vermoedelijke stichtingsdatum 1192) bezit aan het einde van de 16e eeuw ongeveer 5500 ha aan grond in de provincie Groningen (Feith, 1902, 5). Op een enkele uitzondering na bestaat het bezit uit productieve in cultuur gebrachte landerijen. Bij dit bezit moeten nog de uitgestrekte venen en bossen in het noorden van de provincie Drenthe worden gerekend. Na 1570 moet hierbij nog het grondbezit van Termunten (Baamsum) en dat van Trimunt worden geteld. Het klooster bezit ook geruime tijd de nu verdwenen eilanden Corresant, Heffesant en Bosch die in de buurt van Rottum zijn gelegen. Deze zijn van belang voor de opbrengst van de strandvonderij en voor de visserij.

 

Het klooster Aduard heeft een grote rol gespeeld in de waterstaatsorganisatie rondom het Reitdiep. De abt van Aduard is uit hoofde van zijn functie Overste Schepper van het Aduarder Zijlvest, niet zo verwonderlijk omdat het gebied in de omgeving van het klooster te kampen heeft met wateroverlast door toevoer van water van de Drentse zandgronden. Om de afwatering te verbeteren, graven de monniken het Aduarderdiep. Dat het een kunstmatige afvoer is, is nog steeds op de topografische kaart te zien. De eeuwenoude onregelmatige verkaveling van het gebied wordt rechtlijnig doorsneden.

 

Voor het beheer van de landerijen bezit het klooster zogenaamde voorwerken (uithoven of grangia), een vrij groot landbouwcomplex bewerkt en geëxploiteerd door conversen. Hoewel de voorwerken primair tot doel hebben voor de abdijgemeenschap te produceren, ontstaan er ook overschotten die in de stad Groningen worden verhandeld.

 

Menterwolde
In Nieuwolda heeft de cisterciënzerabdij Menterwolde of Campus Silvae (Boskamp), genoemd in 1220, gestaan. Het is aanvankelijk een benedictijner dubbelklooster. In 1247 dien de abt een verzoek in tot opname in de cisterciënzerorde. Dit wordt toegestaan op voorwaarde van splitsing. De nonnen gaan in 1259 naar Midwolda. In 1299 worden de monniken verplaatst naar Termunten (Baamsum) in verband met overstromingen in het gebied.

 

Grijzemonniken
Het klooster Grijzemonniken te Baamsum onder Termunten is gewijd aan Benedictus. Het wordt in 1299 gesticht als een voortzetting van het klooster Menterwolde. Het bezit onder andere voorwerken te Muntendam en Rysum (Krummhörn, Rode Voorwerk), verder veenderijen in de Dollard (Munnekeveen) en in de omgeving van Muntendam. Het klooster bezit parochierechten in Wagenborgen en in Zwaag, waarvan de dorpskerk in 1419 wordt geïncorporeerd. Op het kloosterterrein bevinden zich onder andere een korenmolen, een smederij en een achtkantig waterreservoir, terwijl zich buiten de wallen vermoedelijk een tichelwerk heeft gestaan.

 

De gebouwen worden in 1569 verwoest, waarna de abt en de monniken uitwijken naar Aduard. In 1577 is het klooster samengegaan met dat van Aduard; de goederen blijven behoren tot een afzonderlijk fonds. In Groningen bezit het klooster een refugium aan het Martinikerkhof, daarnaast een huis of refugium te Appingedam.

 

Grijzevrouwen
Het nonnenklooster Grijzevrouwen te Midwolda ontstaat in 1259, als de nonnen het klooster Menterwolde verlaten. Het heeft voorwerken te Lalleweer, Midwolda (Nijenhuis) en mogelijk ook Oostwold. In 1530 wordt de dorpskerk van Oostwold geïncorporeerd en afgebroken. De parochianen moeten tijdelijk uitwijken naar de dorpskerk van Midwolda. De nonnen wijken omstreeks 1574 uit naar het refugium van het Grijzemonnikenklooster. Het kloosterterrein is in 1944 opgegraven.

 

Sint-Annen
Het nonnenklooster Klein Aduard te Sint-Annen wordt gesticht in 1340 en wordt in 1342 in de cisterciënzerorde opgenomen onder gezag van het klooster Aduard. Het bezit veenderijen in de omgeving van Slochteren en Meeden. Het klooster verkrijgt in 1356 parochierechten te Stedum, waarvan men later afstand doet. Tevens heeft het klooster vermoedelijk parochierechten in het dochterdorp Steerwolde, die in de 15e eeuw worden overgedragen aan het Olde Convent te Groningen. Het wordt geleid door een abdis.

 

Trimunt
Het klooster 'In tribus montibus' te Trimunt ten westen van Marum is oorspronkelijk een benedictinessenklooster. Omdat het in problemen raakt, wordt het in het begin van de veertiende eeuw opgenomen in de cisterciënzerorde onder gezag van het klooster Aduard. Het bezit landerijen in Kollumerland, Lettelbert en Kuzemer (Cusemaer), totaal ongeveer 200 ha. Een poging tot incorporatie bij Assen stuit in 1559 op verzet van de nonnen. Het klooster heeft een refugium aan het Munnekeholm in Groningen en wordt in 1604 ontbonden.

 

Essen
In Essen iets ten zuiden van de stad Groningen heeft een nonnenklooster Klooster Yesse (vermoedelijk gesticht in 1216) gestaan, dat zich al snel na de stichting onder de hoede van het cisterciënzerklooster van Aduard stelt. Het bezit landerijen in de omgeving van Bedum, in Gorecht, in Kostverloren (bij Groningen), Wolfsbarge en Kropswolde. Het speelt een belangrijke rol in de waterstaatsorganisatie van het benedenstroomgebied van de Hunze en de Drentse Aa. Het klooster bezit een voorwerk te Stitswerd (Roowolt) met veel landbezit en een Mariakapel te Kropswolde, vermeld in 1409. Verder land te Borger, waarbij in 1485 een korenmolen wordt gebouwd. Het landbezit bedraagt in 1595 ruim 3000 hectare. Ook herbergt het klooster in de vijfttiende eeuw een meisjesschool. In 1501 wordt de parochie van Menkeweer geïncorporeerd. Het klooster wordt in 1580 geplunderd door Staatse troepen; de nonnen wijken in 1589 uit naar Groningen, waar een huis in de Herestraat wordt aangekocht.

 

Premonstratenzers of norbertijnen
Ook 'Witheren' genoemd. De kloosterlingen noemen zich gewoonlijk kanunniken en kanunikessen; de benaming monniken en nonnen is de conversen of lekenbroeders en -zusters gereserveerd. De mannenkloosters of proosdijen worden niet geleid door een abt, maar door een proost; de vrouwenkloosters of priorijen door een prior. In 1290 worden de inwoners van premonstratenzer kloosters in Friesland, Groningen en Ostfriesland geteld. Het genoemde aantal kloosterlingen is aan de hoge kant; mogelijk worden van het klooster afhankelijke boerenfamilies meegerekend.

 

Oldeklooster in de Marne
Dit klooster ligt bij Kloosterburen en wordt waarschijnlijk in 1175 gesticht als dochterklooster van Mariëngaarde in het Friese Hallum. In 1204 volgt de aansluiting bij de orde van de premonstratensers; de mannen verhuizen naar Nijenklooster. Beide kloosters zulllen in 1290 samen 240 inwoners hebben gehad. De abdij bezit ongeveer 600 hectare cultuurgrond en delen van nabijgelegen kweldergronden. Bovendien behoort ongeveer een derde van het eiland Rottumeroog tot het kloosterbezit. Het heeft voorwerken te Schilligeham, Maarslacht (Lutkehuizen of Uuterhues), Warfhuizen en vermoedelijk ook te Kloosterburen (Feddemahuis en De Baat). De korenmolen van Molenrij wordt in 1543 vermeld. De veenderijen liggen in de omgeving van Kropswolde.

 

Het klooster speelt een rol van betekenis in de waterstaatsorganisatie van dit gedeelte van Groningen en is medestichter van het Schouwerzijlvest in 1371. Daaraan herinneren onder andere de toponiemen Abtssloot en Abelstokstertil, een brug die vermoedelijk genoemd is naar een oversteekplaats of bruggetje met de naam Abtsstok. De dorpskerk is geïncorporeerd bij het klooster, dat tevens enkele prebendes te Leens en Warfhuizen bezit. De gebouwen worden omstreeks 1579 grotendeels verwoest. Het klooster bezit een refugium te Groningen in de Turftorenstraat (hoek Uurwerkersgang), dat tot 1607 in gebruik blijft.

De kloostergemeenschap wordt omstreeks 1609 opgelost

 

Nijenklooster in de Marne
Een mannenklooster onder het bestuur van de abt van Oldenklooster, gesticht in 1204. Tot het grondbezit behoort het Munnekeaagt te Eenrum. Volgens sommige berichten wordt het klooster rond 1590 beschouwd als afzonderlijke parochie.

 

Nijenklooster bij Den Dam
Vrouwenklooster Rozenkamp bij Jukwerd, aanvankelijk een dubbelklooster, gesticht in 1204. In de dertiende eeuw worden als voorwerken 'grangia secus Emesam' en 'Hora' genoemd. Op grond van een aantekening denkt men bij het laatste aan Gaarbindeweer bij Holwierde, waar het klooster later landbezit heeft. Ook wordt wel gedacht aan Oosterdijkshorn. Het klooster wordt bestuurd door de abt van Wittewierum. Met dit klooster deelt men ook het refugium in Groningen.

 

Wittewierum
Het klooster Floridus hortus (Bloemhof) wordt gesticht in 1208 en sluit zich in 1217 aan bij de orde van de premonstratensers. Het maakt oorspronkelijk deel uit van het dubbelklooster Nijenklooster te Jukwerd. In 1213 of 1214 wordt dit klooster gesplitst en gaan de monniken naar Wittewierum. Beide kloosters zullen in 1290 samen 1000 inwoners hebben gehad, een aantal dat vermoedelijk met een korreltje zout moet worden genomen. Het klooster ligt op de rechteroever van de voormalige Fivel, die op het moment van de stichting al aan het verzanden is. Het bezit ongeveer 1760 hectare grond verspreid in Fivelingo en de voorwerken van dit klooster liggen onder andere in Westeremden (Dydingemonken of Dudinge monnijcken), Garrelsweer (Nijenhuis), Hoeksmeer (in den Ham) en Sint Annen (Roggenvoorwerk).

 

Vanuit het Zandtstervoorwerk te Zijldijk zijn de kloosterlingen actief bij de indijking van de Fivelboezem. Uit de Kroniek van Emo en Menko blijkt dat het klooster een groot aandeel heeft gehad in de bedijking van dit gebied. In de 13e eeuw verkrijgt het klooster parochierechten te Westeremden (1225), Scharmer (1231), Uithuizen (1275) en Krewerd (eind 13e eeuw). Deze geïncorporeerde kerken gaan later weer verloren. In de 16e eeuw heeft het klooster parochierechten te Kolham.

 

Palmar
Het premonstratenser dubbelklooster 'Porta sanctae Mariae' heeft ten zuiden van de Reide in een voormalig hoogveengebied gestaam. Palmar wordt voor het eerst genoemd in 1204. Het klooster bezit voorwerken te Klein Wierum bij Holwierde, Finsterwolde en Bohnenburg bij Hamswehrum (Krummhörn). Het klooster verkrijgt in 1256 het patronaat over de kerk van Reide (vermoedelijk Oosterreide) van de abt van Werden, maar het klooster heeft zijn rechten vermoedelijk niet kunnen doorzetten, zoals blijkt uit klachten van dorpsbewoners omstreeks 1275. In 1377 fungeert de commandeur van Oosterwierum als dorpspastoor. Door voortdurende overstromingen in het Dollardgebied wordt het in 1447 opgeheven, de bezittingen doorverkocht aan de premonstratenzers van Wittewierum.

 

Schildwolde
Het klooster 'Gratia Sanctae Mariae' is gesticht in 1204 als dubbelklooster, later wordt het een nonnenklooster. In 1290 heeft het klooster ongeveer 180 nonnen gehad. Het bezit ongeveer 530 ha. cultuurgrond en verder veenderijen in zuidoost Groningen. De voorwerken liggen onder andere aan de Graauwedijk te Overschild (1470 Witte Munchuijs, nu Klein-Transvaal) en mogelijk te Hoeksmeer, Eenum en Ter Apel (tot 1458). Het recht op de halve pastoorsplaats van Schildwolde gaat in 1224 verloren. In 1576 worden de Groningse bezittingen van het klooster Barthe bij Hesel toegevoegd aan het kloosterbezit, nadat enkele uit Groningen afkomstige nonnetjes uit Oost-Friesland in 1563 met hun hebben en houden zijn overgekomen.

De laatste nonnen nemen kort na 1590 hun intrek in het zusterhuis van de Broeders van het Gemene Leven te Groningen.

 

Heiligerlee
Het klooster 'Mons Sinaï' wordt omstreeks 1204 gesticht te Oosterlee of Asterlo, later Heiligerlee geheten, tussen de buurtschappen Kloosterholt (Winsewida) en Westerlee. Het is een dochterklooster van de premonstratenserabdij te Schildwolde. In 1290 heeft het klooster ongeveer 180 ongeveer inwoners. Het bezit ongeveer 1470 hectare cultuurgrond. Het bezit parochierechten te Westerlee en voorwerken te Westerlee (De Smacht), Zuidbroek (Grangsheerd) en Lesterhuis bij Borgsweer, verder veenderijen in de omgeving van Winschoten. Aangenomen wordt dat de naam Oosterlee verwijst naar een rivier(tje) of lee ten zuiden van het klooster, waarmee mogelijk de Rensel wordt bedoeld.

 

Kuzemer
Cusemaer, Cruysmer clooster of Cur[t]is Mariae (Mariënhof) te Grootegast wordt gesticht als dochterklooster van Dokkum in 1214. Het is de oude naam voor Kuzemer dat ten zuidwesten van Oldekerk ligt. In 1290 zou het klooster 60 inwoners hebben gehad. Het bezit ongeveer 435 hectare cultuurgrond, waaronder polderland in de Ruigewaard, en het bezit veenderijen in de omgeving van Tolbert en Bakkeveen. Ook heeft het klooster een aantal stemmen in de collaties van Sebaldeburen, Grijpskerk en Oldekerk.

 

Ter Apel
Het klooster Apelscha der Apel wordt genoemd in 1290 met 70 inwoners. De bezittingen zullen in of vóór 1400 zijn terug gevallen op het moederklooster te Schildwolde. In 1466 is bij de stichting van het kruisherenklooster te Ter Apel sprake van een watermolen, nog stammend uit de tijd 'dat het clooster voorschreven hoerde toe den orden Premonstreet unde den clooster Schildwolde'.


 

Kruisheren of kruisbroeders

 

Ter Apel
In Ter Apel heeft de kruisherenpriorij Domus novae lucis gestaan, gesticht in 1465 op een landgoed dat afkomstig is geweest van het premonstratenzerklooster te Schildwolde. De naam betekent: Huis van het nieuwe licht. Als voorwerk van Schildwolde bestaat het mogelijk al in de dertiende eeuw. In 1466 krijgt het klooster parochierechten over boeren uit de omgeving, waarvoor aan de pastoor van Sellingen een tegemoetkoming moet worden betaald. Het klooster heeft onder andere grondbezit in Onstwedde, Loppersum en Garrelsweer, twee watermolens (waaronder een oliemolen), verder een refugium in de Pelsterstraat te Groningen en huizen in de Oosterstraat en aan de Vismarkt.

 

Scharmer
In Scharmer heeft het klooster van de Kruisheren gestaan, gewijd aan Sint Helena en gesticht door Johan Rengers van Scharmer in 1489. Het bezit 280 hectare cultuurgrond en speelt een rol in het Scharmerzijlvest (een onderdeel van het Generale Zijlvest der Drie Delfzijlen). De landerijen te Heidenschap worden in 1555 verkocht aan het Sint-Geertruids- of Pepergasthuis. Tevens heeft het een korenmolen te Scharmer. De dorpskerk van Scharmer wordt met het klooster verbonden; de prior treedt op als dorpspastoor. Het klooster bezit daarnaast de rechten op de kapel van Klein-Harkstede. Het klooster heeft een refugium in de Burchtstraat bij de Herepoort te Groningen. De kloostergemeenschap is vóór 1615 ontbonden.

 

Johannieters
Deze geestelijke ridderorde heeft in Groningen vijf kloosters of commanderijen. Een commanderij is de basiseenheid van deze orde. De Groninger commanderijen staan onder gezag van de balijer van Westfalen, die commandeur van Steinfurt is. De commanderijen zijn aan de balijer een jaarlijks bedrag verschuldigd. In de meeste gevallen gaat het oorspronkelijk om dubbelkloosters. De dubbelkloosters worden in het kader van een hervormingsbeweging in de tweede helft van de 15e eeuw opgeheven, maar in de praktijk blijven de vrouwen als lekenzusters in een afzonderlijke afdeling van de mannenkloosters wonen, terwijl de vrouwenkloosters tevens enkele priesters herbergen. Kern van de kloosterlanderijen vormen de oude bezittingen van de Rijksabdij van Werden, die in 1283 aan het bisdom Münster worden verkocht. Bij die gelegenheden worden met name de landgoederen te Holtgaste (Rheiderland), Oosterreide, Winsum, Garnwerd en Feerwerd met het patronaatsrecht over de bijbehorende dorpskerken genoemd. Daarvan worden Holtgaste en Winsum in 1284 overgedragen aan de commanderijen te Jemgum en Warffum. Het valt aan te nemen, dat iets dergelijks ook met de overige landgoederen is gebeurd. Niet alle vijf commanderijen zijn op de kaart terug te vinden.

 

Warffum
Het nonnenklooster van Warffum wordt voor het eerst vermeld in 1284. Het bezat ongeveer 1400 hectare cultuurgrond. Het klooster heeft voorwerken te Warffum (Hoysmaheerd) en volgens sommige berichten ook te Baflo (Westermei), Stitswerd (Zuidwendinge) en Everswolde. De boerderij Oldebosch te Usquert vormt mogelijk eveneens het restant van zo'n voorwerk; in Oost-Friesland worden de voorwerken Grashaus of Buschhaus genoemd. Verder het parochierechten te Stitswerd en Winsum. De kerk van Winsum is formeel geïncorporeerd en afkomstig uit de bezittingen van Werden; deze rechten worden in 1529 aan Evert de Mepsche verkocht. Het klooster heeft verder een refugium in de Boteringestraat te Groningen, dat in 1612 wordt verkocht. Mogelijk maakt ook het Werfmer Convente steenhues aan de Oude Kijk in 't Jatstraat deel uit van het refugium. De kloostergemeenschap wordt pas na 1623 ontbonden. Gereformeerde predikanten verzorgen nog enige tijd de kerkdiensten.

 

Oosterwierum
De commanderij van Oosterwierum te Heveskesklooster bij Heveskes heeft ongeveer 1500 ha. cultuurgrond gelegen in Fivelingo en het Oldambt in bezit. Het klooster heeft voorwerken te Oterdum (Nijenhuis), Eelshuis bij Wagenborgen, sinds 1476 tevens de voormalige commanderij te Oosterwijtwerd, sinds eind 15e eeuw de voormalige commanderij Goldhoorn te Finsterwolde en mogelijk ook voorwerken te Oterdumerwarven (Woltersweer) en Hoeksmeer, waar eind 14e eeuw een boerderij van het premonstratenzerklooster te Schildwolde wordt aangekocht. De monniken bekleden de pastoorsplaatsen te Oosterreide, Oosterwijtwerd en mogelijk ook Oostwold bij Siddeburen. Tevens heeft het klooster refugia in Groningen (het latere Ommelanderhuis) en vermoedelijk te Appingedam. Naast het kloosterterrein heeft een molenberg met een korenmolen gestaan. In 1480 wordt de commanderij omgevormd van een lekenzusterconvent in een mannenklooster, met behulp van twee broeders uit Keulen. De zusters blijven echter wel deel uitmaken van de kloostergemeenschap.

 

Kloosterwijtwerd
De commanderij Wijtwerd ten zuiden van Usquert wordt genoemd in 1304. Het bezit bijna 600 hectare cultuurgrond en daarnaast kweldergronden. De commanderij heeft uithoven te Maarhuizen, Usquerd (Nijenhuis) en Eenrum (Ernstheem), parochierechten te Maarhuizen en Lutje Saaksum, verder een refugium op de hoek van de Butjesstraat en de Pausgang te Groningen, dat in 1625 wordt verkocht. De wierde waarop het klooster heeft gestaan, is vrij groot geweest en biedt plaats aan meerdere boerderijen. Volgens een parochielijst uit 1559 vormt het klooster een zelfstandige parochie.

 

Goldhoorn
De commanderij Goldhoorn te Finsterwolde wordt voor het eerst vermeld in 1319. Vermoedelijk is het een dubbelklooster. Omstreeks 1424 wordt een voorwerk te Heiselhusen bij Campen (Krummhörn) gesticht, dat wordt bewoond door monniken en nonnen en in 1446 zelfstandig wordt. Omstreeks 1475 wordt de naam van het klooster in verband gebracht met een verdronken parochie. Dat 'Clooster tho Golthorn' wordt nog in 1498 vermeld, maar volgens een akte uit 1494 is het inmiddels gedegradeerd tot een voorwerk van de commanderij van Oosterwierum.

 

In 1540 wordt dit voorwerk voor het laatst genoemd. In 1574 zijn de landerijen in het bezit geraakt van de adellijke familie Sickinge te Warffum, die hier onder meer een tichelwerk bedrijft.

 

Oosterwijtwerd
De commanderij te Oosterwijtwerd was slechts korte tijd zelfstandig. Vóór 1472 is het een voorwerk van Dünebroek bij Wymeer. Het wordt in 1476 een voorwerk van de commanderij Oosterwierum te Heveskes. De parochiekerk van Oosterwijtwerd en het bijbehorende pelgrimshuis zijn verbonden aan de commanderij. In de parochiekerk bevindt zich een beroemd Mariabeeld.

 

Franciscanen of minderbroeders
De beide vrouwenkloosters Olde Convent en Maria ten Hoorn, die vermoedelijk eerst tot de tweede (comtemplatieve) orde van Sint Franciscus hebben behoord, gaan later over tot de derde orde (tertiarissen of Grauwe Begijnen).

 

Minderbroedersklooster te Groningen
Het klooster van de franciscanen wordt het eerst vermeld in 1253.


 

Dominicanen, Predikheren of Jacobijnen

 

Dominicanenklooster te Winsum
Winsum heeft een dominicanenklooster dat vermoedelijk rond 1275 is gesticht. Het klooster bezit onder andere een korenmolen te Winsum.

 

Dominicanenklooster te Groningen
Dominicanen, waarschijnlijk gesticht vanuit Winsum in 1308.

 

Oosterreide
Het domincanessenklooster van Oosterreide op de Punt van Reide verhuist in 1528 naar Lucaswolde bij Marum. Mogelijk wordt de kerk van dit dorp aan de susteren van Reyde overgedragen, die in 1542 voor het laatst worden genoemd. De gebouwen zijn vermoedelijk in de 80-jarige Oorlog.


 

Augustijner Heremieten

 

Appingedam
Het broederklooster Appingen op De Wierde van Appingedam wordt vermoedelijk gesticht in 1328. De stichtingsdag - tevens het begin van de jaarlijkse vrijmarkt of Broerkermis - wordt gevierd op zondag na Kruisverheffing, zodat aan te nemen valt dat het klooster gewijd is geweest aan het Heilige Kruis. Als zegel dient echter een afbeelding van Johannes de Doper. In het klooster heeft een beroemd Mirakelkruis gehangen. Het klooster heeft vermoedelijk een refugium (genoemd in 1630 als het Augustijner 'kerckhuis aan 't marckt') en enkele voorname huizen in de stad, daarnaast omvangrijk grondbezit (ca. 1550 64 heemsteden en 9 tuinen, 1773 105 heemsteden en een hof), buitendijkse gronden met een korenmolen onder Tjamsweer en verder landerijen te Appingedam, Tjamsweer, Jukwerd, Tjuchem, Siddeburen en elders; in 1773 is daarvan nog ca. 120 ha over. In 1446 wordt het landgoed Ballingeheem bij Holwierde verkregen, dat mogelijk wordt ingericht als voorwerk.

 

De eetzaal of refter van het klooster heeft gediend als vergaderplaats voor de Ommelander bestuurders. Ook de plaatselijke schutterij viert hier het schuttersbier na afloop van het papegaaischieten. Tot de termijn (bedelgebied) van de monniken behoort tevens de provincie Friesland; de monniken worden meermalen in Friese testamenten vermeld.

 

Broeders van het Gemene Leven
De Broeders des Gemeenen Levens of Arme Klerken vormen een gemeenschap van Apostolisch Leven, die gevormd wordt door reguliere clerici die leven volgens de regels van Augustinus, maar geen gelofte afleggen.

 

Fraterhuis te Groningen
Het Fraterhuis of Clerkenhuys te Groningen, ook Hieronymusklooster of Sunte Mattheushuus genoemd, is gesticht tussen 1432 en 1436. De laatste bewoner draagt in 1586 de adminstratie over aan het stadsbestuur. Aan het Fraterhuis zijn een Zusterhuis en een internaatschool (Arme Klerkenhuis, genoemd 1464) verbonden. Het Zusterhuis aan de Sint Jansstraat wordt genoemd in 1510, het gebouw is in 1468 door Luddeke Jarges aan het convent geschonken. In 1582 worden de resterende bezittingen geïnventariseerd, het gebouw wordt na 1590 overgedragen aan de nonnen van Schildwolde. Het Arme Klerkenhuis is aanvankelijk in 1586 bestemd voor de Sint Maartensschool, maar wordt in 1590 overgedragen aan de Jezuïeten.

 

Broeders en Zusters van de Heilige Geest
De Orde van de Heilige Geest is een gemeenschap van Apostolisch Leven van hospitaalbroeders en -zusters geweest die vooral in Noord-Europa wijd verbreid is geweest.

 

Pelstergasthuis of Heiligen Geest Gasthuis
Gesticht in 1267. Het is niet bekend of dit gasthuis oorspronkelijk een kloostergemeenschap herbergt. Het heeft in elk geval in de 15e eeuw geen kloosterlingen meer.

 

 

Begijnhuizen en Begardenconventen

 

Olde Convent te Groningen
In de stad Groningen hebben de Franciscanessen een klooster (het Olde Convent), ook wel Geestelijke Maagden of Sint-Agnesklooster genoemd, dat voor het eerst in 1386 wordt vermeld. Het klooster behoort aanvankelijk tot de tweede (comtemplatieve) orde, maar gaat in 1401 over naar de derde orde van Sint Franciscus. Het klooster bezit 745 hectare aan landbouwgronden, met name in de omgeving van Marum en Kropswolde, waar een voorwerk ligt. Bij het voorwerk te Steerwolde (bij Sint Annen) wordt in 1470 een kapel gebouwd, die tevens als vervanging voor de verdwenen dorpskerk dient. Tijdens opgravingen in de binnenstad van Groningen (1990/1991) kan worden vastgesteld dat de gebouwen van het Olde Convent gelegen zijn geweest op het terrein van het latere Roode- of Burgerweeshuis. Het klooster ligt aan de noordzijde van wat nu de Roode Weeshuisstraat is. Na de Reductie van Groningen (1594) wordt voor de kloostergebouwen een andere bestemming gezocht. In 1599 wordt een deel van het gebouwencomplex toegewezen aan het in dat jaar gestichte Burgerweeshuis.

 

Maria ten Hoorn
Het klooster Maria Ten Hoorn bij Groningen is een vrouwenklooster geweest van de Franciscanessen, gesticht vóór 1456, dat in de zestiende eeuw behoort tot de derde orde van Sint Franciscus (Grauwe Begijnen). De landerijen liggen aan het Hoornsediep. Het klooster wordt tussen 1571 en 1575 geïncorporeerd in het Olde Convent.

 

Vrouw Menoldisconvent te Groningen
Begijnhuis gesticht vóór 1276 en in 1292 verhuist naar een nieuwe plek. De gebouwen staan bij de begraafplaats van het Broerklooster, tussen het Rechte Jat en het Vrouw Siwenconvent. Het convent gaat vóór 1401 over naar de derde orde van Sint Franciscus. De begijnen staan eerst onder leiding van een meisterse, na ca. 1450 van een ministerse. In 1502 wonen er 12 begijnen. Aan het convent is een meisjesschool verbonden. De zusters werden in 1586 vermaand hun kledingvoorschriften strikter te handhaven. Het convent is vermoedelijk in 1594 opgeheven.


Vrouw Siwenconvent te Groningen
Begijnhuis is gesticht in 1294. De gebouwen staan in de directe nabijheid van het Vrouw Menoldisconvent. Het convent gaat vóór 1401 naar de derde orde van Sint Franciscus. De bewoners worden in 1584 verenigd met die van het Vrouw Menoldisconvent, de gebouwen gaan dienen als Refugium voor de abt van Selwerd.

 

Vrouw Clarenconvent te Groningen
Vrouwenconvent aan de westzijde van het Rechte Jat. Vermoedelijk genoemd in 1329 als 'Nije convent op de Woert', in 1354 als arme begijnen, daarna nomaals in 1390 en 1394. Mogelijk een Clarissenklooster en dan ten onrechte tot de begijnen gerekend.

 

Bethlehem bij Rottum
Een benedictijns begijnenconvent dat onder het gezag van de abt van Rottum viel. Incorporatie bij het klooster Rottum werd in 1568 niet toegestaan. Het werd na 1594 opgeheven.

 

Cellebroeders te Groningen
De Cellebroeders of Alexianen, die zich vooral met de verpleging van pestlijders bezig houden0, hebben een huis aan de Nieuwstad te Groningen, dat aan het einde van de 15e eeuw wordt vermeld.

 

 

Overig kloosterbezit

 

Rijksabdij Werden
Het benedictijnerklooster Werden te Werden an der Ruhr, is gesticht door Liudger in het laatst van de achtste eeuw. Het klooster heeft in de elfde eeuw uithoven in Groningen, Weener en Loga (bij Leer), alsmede eigenkerken te Garnwerd, Winsum, Oosterreide en Holtgaste (bij Jemgum).

 

Rijksabdij Fulda
Het benedictijnenklooster Sint Bonifatius te Fulda in Hessen, is in 744 gesticht door Bonifatius.

 

Rijksabdij Corvey
Het benedictijnenklooster Corvey (Corbeia nova) te Höxter (Nordrhein-Westfalen) is in het begin van de negende eeuw gesticht. Het klooster wordt vooral belangrijk vanwege de verering van Sint Vitus, wiens relieken in 815 vanuit Corbie aan de Somme hierheen worden overgebracht. Het klooster heeft een groot aantal bezittingen alsmede het patronaatsrecht over de kerken in Westerwolde en Winschoten, mogelijk ook bezittingen te Wittewierum en Kantens. Volgens de lijst van bezittingen door abt Saracho (omstreeks 1050) heeft het klooster ook landerijen te Watum, Losdorp, Uitwierde en het onbekende Baccamun in Fivelgo. Deze lijst berust echter op een 17e-eeuwse vervalsing.

 

Echternach
Benedictijnenabdij te Echternach in Luxemburg, gesticht door Williebrord in 698, bezit onder landerijen in Friesland en Middag-Humsterland, namelijk te Kenwerd (Chinicwirde) en de niet-geïdentificeerde plaatsen Vrua (lees: Urva) en Thelingi.

 

Überwasser of St. Marienkloster te Münster
Benedictijnenklooster te Münster, bisschoppelijke eigenkerk, met het bezit van tienden te Baflo.

 

Elten
Benedictijnenabdij te Elten, gewijd aan St. Vitus, gesticht 968; in 970 door Wichman van Hameland voorzien van goederen te Hunsingo, Fivelgo, Marne, Middag-Humsterland en Eemsgo.

 

Pöhlde
Benedictijnenklooster te Pöhlde in de Harz (Südniedersachsen), gewijd aan St. Servatius, gesticht in 952 door keizer Otto de Grote en voorzien van koninklijk bezit in de Ommelanden en Friesland, onder andere te Westerwijtwerd, Baflo, Rasquert en de niet-geïdentificeerde plaatsen Hilderedes en Ziericon (Henrikaskiricon?).

 

Thedinga
Benedictijner nonnenklooster ten noorden van Leer, bezit landerijen te Garrelsweer.

 

Barthe
Premonstratenser nonnenklooster bij Hesel. Verkrijgt eind 15e eeuw omvangrijk landbezit in het Groningerland, met name in de omgeving van Appingedam.

 

Langen
Premonstratenser klooster bij het huidige Logumervorwerk (Krummhörn), in 1520 verhuist naar het klooster Blauhaus bij Woltzeten, verkrijgt eind 15e eeuw landbezit in de omgeving van Eenum en Zeerijp.

 

Gerkesklooster
Het monnikenklooster Jerusalem of Gerkesklooster bij Augustinusga behoort tot de cisterciënzer orde. Het bezit omvangrijke landerijen in de polders ten zuiden van de Lauwerszee, daaronder een voorwerk te Lutjegast (Hilmahuizen), mogelijk ook te Opende (Topweer), verder parochierechten te Visvliet en Lutjegast. In 1497 wordt een steenhuis aan de Schoolholm te Groningen aangekocht. Na de verwoesting van het klooster rond 1580 vertrekt een deel van de monniken naar dit refugium, dat tot 1610 in gebruik blijft.

 

Mariëngaarde te Hallum
Het premonstratenzers monnikenklooster Mariëngaarde te Hallum heeft in 1457 een huis of refugium in de stad Groningen in de Brugstraat.

 

Bunne
Het Huis van de Duitse Orde te Bunne heeft in 1451 een refugium aan de westzijde van de Folkingestraat te Groningen.

 

Assen

Het cisterciënzer nonnenklooster Mariënkamp te Assen heeft vóór 1582 een refugium aan de Oosterstraat in Groningen, verder landbezit te Selwerd en een voorwerk te Matsloot.

 

Kampen
Het kartuizerklooster Sonnenberg te Kampen verwerft in of vóór 1517 de Boekumaheerd onder Bierum.

 

Dünebroek
Johannieter Commanderij bij Wymeer, bezit een voorwerk te Oosterwijtwerd, dat na 1466 zelfstandig wordt, maar al snel bij Oosterwierum wordt gevoegd.

 

Esens
Marienkamp te Esens: is een klooster van de augustijner koorheren, tussen 1414 en 1420 toegetreden tot de Congregatie van Windesheim, die verbonden is met de Broeders van het Gemene Leven. Het klooster heeft nogal wat bezittingen in de Ommelanden; de laatste broeders sterven in Groningen. De bezittingen worden bestemd voor het stichten van een jezuïetenschool.

 

Frenswegen
Sankt Marienwold te Frenswegen bij Nordhorn is een klooster van de augustijner koorheren, gesticht in 1394 en in 1400 toegetreden tot de Congregatie van Windesheim, die verbonden is met de Broeders van het Gemene Leven. Het klooster heeft een boerderij te Betteweer of Buttingeweer bij Wittewierum.

 

 

 

Spookvermeldingen


In de literatuur duiken zo nu en dan vermeldingen op van kloosters, waarvan het bestaan niet door de bronnen wordt ondersteund.

 

Enkele daarvan:

 

Appingedam: Annaconvent of Vrouwenconvent, verbonden aan het Sint-Anthoniegasthuis. Het zou gaan om een Franciscaans vrouwenklooster, namelijk een begijnenconvent van de Tertiarissen. Kennelijk is er verwarring ontstaan met het 'Suncte Anne hues', de woning van de priester de Sint-Annaprebende in de Sint-Annastraat, genoemd circa 1480-1490. Ook heeft men wel gedacht dat het toponiem Vrouwenbrug (Onze Lieve Vrouw is de oorspronkelijke heilige van de Nicolaïkerk) naar het klooster of naar een afzonderlijke kapel zal hebben verwezen. In het begin van de 19e eeuw meent men dat een van de nonnetjes in de Sint-Annastraat rondspookt. Het Sint-Anthoniegasthuis wordt voor het eerst in 1503 vermeld.

 

Beerta: verwarring met Barthe in Oost-Friesland.

 

Dallingeweer: gebaseerd op enkele archeologische vondsten en het toponiem Capellenheem.

 

Termunten: nonnenklooster, gebaseerd op verwarring met Trimunt. Ten zuiden van Termunten heeft wel een klooster gestaan bij Baamsum.

 

 

 

Kloostertoponiemen


Abbemaar, deel van het Kardingermaar Thesinge.
Abtszijl, voormalig sluisje bij Thesinge of Ten Boer, genoemd in 1567.
Kloosterlaan te Zuidbroek, wellicht samenhangend met een voorwerk van Heiligerlee
Kloosterbult te Spijk: voormalige boerderijplaats behorend bij boerderij Huize Ten Dijke (Lage Trijnweg 13). Relatie met voormalig kloosterbezit onduidelijk.
Kloostermaar, watergang bij Heveskes, genoemd naar het klooster van Oosterwierum.
Monnikensloot watergang te Overschild, genoemd naar het voorwerk van het klooster te Schildwolde aan de Graauwedijk, nu Molenwijk genoemd.
Munnikensloot, watergang te Siddeburen, vermoedelijk genoemd naar het voorwerk van Oosterwierum te Eelshuis, nu Molensloot genoemd.
Munnekesloot of Munnikevaart, verbinding van het Hoendiep naar het Leekstermeer bij Oostwold in het Westerkwartier, genoemd naar het klooster van Aduard.
Munnekeweg, straat te Lucaswolde bij Grootegast.
Munniketocht, watergang bij Oostum, genoemd naar het Klooster Aduard.
Munnikeweg, straat te Sauwerd, gedeeltelijk omgedoopt tot Pijplaan, genoemd naar het klooster van Aduard.
Munnikeweg, straat te Oldekerk
Munnikeveen, voormalig eiland in de Dollard, nu in de Reiderwolderpolder.

Andere kloosterorden


Middeleeuwse kloosterorden, die niet in Groningen maar wel in Oost-Friesland en Friesland vertegenwoordigd zijn geweest:

 

Augustijner Koorheren of Reguliere Kanunniken
Kartuizers
Karmelieten: De monniken van het karmelietenklooster te IJlst rekenden het Groningerland tot hun termijn (bedelgebied).

 

 

Duitse Orde

 

Na de Middeleeuwen
Tijdens de onderdrukking van de katholieken door de protestanten zijn Jezuïeten, Franciscanen, Dominicanen en Augustijnen in het gebied werkzaam als clandestiene zielzorgers en missionarissen. In de stad Groningen fungeren als staties of schuilkerken:

 

* Statie van de Jezuïeten aan de Oosterstraat 30 en Papengang 6, eerste helft 17e eeuw tot 1773, daarna bekleed met wereldlijke geestelijken tot 1840.
* Statie van de Jezuïeten aan de Hoge der Aa, eerste helft 17e eeuw tot 1773, daarna bekleed met wereldlijke geestelijken tot 1836.
* Statie van wereldlijke geestelijken aan de Guldenstraat 20-22, circa 1640-1836.
* Statie van wereldlijke geestelijken op de hoek Pausgang/Hardewikerstraat, 1641-1794.
* Statie van de Augustijnen aan de Ebbingestraat 50, 1675-1910.
* Statie van de Augustijnen aan de Herestraat 43 (?), 1675-1790.
* Statie van de Dominicanen aan de Carolieweg Zuidzijde, 1689-1840.
* Na het herstel van de hiërarchie in 1853 vestigen zich vooral negentiende eeuwse congregaties in Groningen, dat in het begin nog behoort tot het Aartsbisdom Utrecht. De kloosters van deze congregaties zijn ondertussen alle weer opgeheven. Dit betreft onder andere:

 

Congregatie van Zusters van Onze Lieve Vrouw van Amersfoort te Groningen, Akerkhof 22, gesticht 1906, in 1958 verhuisd naar Marienholm aan de Merwedestraat. Het zusterhuis is verbonden aan een huishoudschool.

 

Zusterhuis van de Franciscanessen, verbonden met de Heilig Hart Kerk, Moesstraat 18-20, Groningen, 1919-(?).
Het huidige bisdom Groningen-Leeuwarden heeft maar één contemplatieve instelling, de Kluis van Warfhuizen, bewoond door één heremiet. De historische kerk die daarbij hoort is tevens de enige functionerende Mariabedevaartplaats van de huidige provincie Groningen.

 

 

Noten, bronnen en referenties:

 

Noten, bronnen en referenties:

- J. Abrahamse & E. Jonkheid, Het Reitdiepgebied. Boedelbeschrijving van een rijke erfenis, Groningen, 1994
- F.J. Bakker, Bedelorden en begijnen in de stad Groningen tot 1594, Assen/Maastricht, 1988
-F.J. Bakker, 'Die Zisterzienser im friesischen Gebiet', in: U. Knefelkamp, Zisterzienser. Norm, Kultur, Reform – 900 Jahre Zisterzienser, Berlin 2001, pp. 37-64
- P. van den Bosch, 'De priorij Sint Helena te Scharmer 1489-1596', in: Clairlieu 33 (1975), pp. 3-29
- E. de Boer, De stichter, de stukken en de schenkers van het Oldenklooster bij Den Dam, Bierum 2004
- R.H. Bremmer Jr., "Hir is eskriven". Lezen en schrijven in de Friese landen rond 1300. Hilversum 2004
-J.F.J. van den Broek, 'Het klooster Trimunt', in: Groningse Volksalmanak 1974-1975, pp. 14-38
- L.H. Bruins, 'Overzicht van kloostervoorwerken', in: Verhildersum, De boer en zijn land, Leens 2006, p. 14
- J. Colpa, 'Het klooster Cusemer', in: Groningse Volksalmanak 1990, pp. 17-27
- C. Damen, Geschiedenis van de Benedictijnenkloosters in de provincie Groningen, Assen 1972
- C.E. Dijkstra, 'Het nonnenklooster Essen', in: Groningse Volksalmanak 1976-1977, pp. 7-27
- J. .A. Feith, 'Wandelingen door het oude Groningen, I. De refugia of kloosterhuizen in Groningen', in: Groningse Volksalmanak 1890, pp. 98-122
- J.A. Feith, 'De rijkdom der kloosters in stad en lande', Groninger Volksalmanak 1902, pp. 1-36
- W.J. Formsma, 'De verhouding van het klooster Rottum tot het voorwerk Bethlehem en het kerspel Eelswerd', in: Groningse Volksalmanak 1959, pp. 88-93
- D. van Heel, 'Het olde convent of het Sint Agnesklooster te Groningen', in: Groningse Volksalmanak 1941, 192-208
- S. Hiddema & C. Tromp, 'Inventaris van archieven van kloosters in de provincie Groningen', Groningen 1989
- J.A. Mol, 'Bemiddelaars voor het hiernamaals. Kloosterlingen in middeleeuws Frisia', in: E. Knol et al. (red.), Hel en hemel. De Middeleeuwen in het Noorden, Groningen, 2001, pp. 152-164
- J.A. Mol, 'De Johannieter zusters in middeleeuws Friesland', in: H. Schmidt et al. (red.), Tota Frisia in
- Teilansichten : Hajo van Lengen zum 65. Geburtstag, Aurich 2005, pp. 193-197
- R.I.A. Nip, 'Neergang en bloei. De benedictijnenkloosters in Groningen en de hervormingsbeweging in de late middeleeuwen', in: Groningse Volksalmanak 1989, pp. 7-34
- R.I.A. Nip, 'De bewoners van het Groninger Benedictijnerklooster Selwerd', in: Driemaandelijkse Bladen 41 (1989), pp. 33-58
- G.F. Noordhuis, De Johannieters in Stad en Lande: geschiedenis van de Johannieters in de provincie Groningen (13de-17de eeuw), Warffum 1990
- R.F.J. Paping, 'De Groningse provinciale rekeningen van de voormalige kloosterlanderijen' (PDF), in: G. Van Synghel (red.), Broncommentaren, dl. 4: Bronnen betreffende de registratie van onroerend goed in de Middeleeuwen en Ancien Regime, Den Haag 2001, pp. 109-136
- E.H. Roelfsema, De klooster- en proosdijgoederen in de provincie Groningen, Groningen 1928
- M. Schoengen, Monasticon Batavum, 3 delen, Amsterdam, 1941-1942 (Verhandelingen der Nederlandsche Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, Nw. Rks., dl. 45)
- M. Schroor, De Atlas der Provincielanderijen van Groningen (1722-1736), Groningen 1996
- M. Schroor, De atlas der Stadslanden van Groningen (1724-1729), Groningen 1997
- B.W. Siemens, Historische atlas van de provincie Groningen (Kaarten plus Toelichting), Groningen 1962
- C. Tromp, Groninger Kloosters, Assen/Maastricht, 1989 (Groningse Historische Reeks, dl. 5)
- E. van der Werff, R. Overbeek en B. Havinga, Van Anna Varwers Convent tot Zuiderkerk.

- Gasthuizen en Godshuizen in Groningen, Groningen 2005

 

Externe links:

- Kloosterlanderijen in 1632
- J.A. Mol, 'Bemiddelaars voor het hiernamaals. Kloosterlingen in middeleeuws Frisia', 2001
- Kroniek van het klooster Bloemhof te Wittewierum
- H. van Engen, De derde orde van Sint-Franciscus en de Moderne Devotie in Groningen, 2006
- Lijst van kloosters in Oost-Friesland (Duitstalige Wikipedia)

 

Overige bronnen:


1. Hoofdbron: Wikipedia.
2. De Johannieters in Stad en Lande. Geschiedenis van de Johannieters in de provincie Groningen (13de - 17de eeuw), Drs. G.F. Noordhuis, Uitgeverij Sikkema, Warffum, 1990.

 

 


 

Deze pagina maakt deel uit van www.nazatendevries.nl. Aan bovenstaande tekst is de uiterste zorg-vuldigheid besteed. Desondanks kunnen er best fouten voorkomen. Constateer je fouten en/of heb je vragen, correcties, aanvullingen......... geef die dan even aan mij door via mijn E-mail adres (zie rode balk boven). Wij hebben ons uiterste best gedaan om de auteurs van teksten/citaten en copyrightbepalingen van afbeeldingen te achterhalen. Mocht je rechthebbende zijn en hierover vragen of opmerkingen hebben, neem dan contact op via e-mail. Lees ook de 'Disclaimer' en 'Privacy' voor méér informatie en laat ook eens een bericht achter in het Gastenboek, dan weet ik waarvoor ik het doe.

Hoogeveen, 19 juni 2018.
Update: 23 oktober 2022.
Revisie: 12 oktober 2023.
Samenstelling: © Harm Hillinga.
Klik hier om naar het menu ARTIKELS te gaan.
Klik hier om terug te gaan naar de HOMEPAGE.
Top